De dag dat een zwerm mij riep

Gepubliceerd op 4 mei 2026 om 21:30

Er zijn dagen waarop de wereld je zachtjes aantikt, en dagen waarop ze je bij de arm grijpt en zegt: nu.

Vandaag was zo’n dag. Een dag die begon met een telefoon, een bericht, een lichte spanning in de lucht — alsof de bijen al wisten dat ik onderweg was.

Ik stond nog maar net recht toen het eerste bericht binnenkwam: “Er hangt hier een zwerm.” En meteen daarna een tweede bericht. Het voelde alsof de dag zich openvouwde, alsof er een pad werd uitgerold dat ik alleen nog maar hoefde te volgen.

Ik antwoordde dat ik zou komen kijken. Met de fiets was het te doen, maar ik moest weten of er een ladder was. Ondertussen belde ik iemand die dichterbij woont: “Is er al iemand langs geweest?” Nog niet. Goed. Ladder? Ja. In orde.

En dan belde ik Freddy. Hij had verlof, en hij had al eens gezegd dat hij graag eens een zwerm wou vangen. “Wil je mee?” Ja, natuurlijk. Maar tegen dat hij er was, was ik al vertrokken — met de bakfiets, met mijn materiaal, met dat lichte gevoel van haast dat alleen een zwerm kan oproepen. Een zwerm wacht niet. Een zwerm is een verhaal dat verder wil.

Net op tijd

Toen ik aankwam, voelde ik het meteen: ik was net op tijd.

Een verdelger kwam net na mij, zichtbaar geïrriteerd dat iemand hem voor was.

Maar een zwerm is geen afval.

Geen probleem. Geen hinder. Het is een volk dat een nieuwe plek zoekt, een nieuw begin.

En vandaag was ik degene die hen dat kon geven.

Iemand vertelde dat hij bij zijn buur een wolk had zien vertrekken. Misschien was het deze zwerm, van zijn buur.

Misschien ook niet. Maar één ding was zeker: ze waren nu bij mij.

Het scheppen — een volk in je handen

Ik zette de ladder neer. Plaatste de bak. Nam de borstel. En toen begon dat zachte, bijna rituele werk: het scheppen van een zwerm. Een grote zwerm. Warm. Zwaar. Levend.

Meerdere keren moest ik terug om de rest erbij te voegen. Tot het volk weer één lichaam werd, één geur, één richting. En dan dat wachten — altijd dat wachten — tot ze naar binnen trekken, tot de rust terugkeert, tot de chaos weer orde wordt.

De imker die niet kwam om te leren

En toen kwam hij. Een conventionele imker, die me meteen wou overtuigen dat een zwerm “vies” is. Dat je niet weet wat je binnenhaalt. Dat hij deze zwerm niet zou willen. Echt niet, hij wou mij overtuigen dat het  binnenhalen van een vieze vreemde zwerm ook ziekte  binnenhalen is.

Ik dacht: dat komt goed uit, want je krijgt hem toch niet. Maar ik zei het vriendelijker.

Tot hij hoorde dat ik natuurimker ben. Toen veranderde de lucht. Geen chemie? Geen oxaalzuur? Dan heb je toch varroa?

Ik zei alleen: “Wat ik niet in mijn mond durf te steken, geef ik niet aan de bijen.”

Het was alsof ik een lont aanstak. Hij werd boos. Maar waarom? Hij wou de zwerm niet. Hij kende mijn manier niet. Hij had zelfs nog nooit een zwermvangbakje gezien.

Sommige mensen komen niet om te leren. Ze komen om te bevestigen wat ze al denken. En dat is oké. Maar vandaag had ik geen ruimte voor zijn boosheid. Ik had een volk te redden.

Op weg naar de bijenboomstam

Zwerm ingeladen. Bakfiets in de camionette van Freddy. En dan naar de bijenboomstam — mijn houten holte, mijn ode aan de oude imkerij, mijn plek waar bijen weer bijen mogen zijn.

We zetten een tafeltje neer. Legden een laken uit. En toen schudde ik de zwerm uit — een levende stroom die zich verzamelde aan de ingang van hun nieuwe huis.

Het duurde even. Alsof ze dachten: wat is dit? Geen raampjes. Geen kunstraat. Geen rechte lijnen.

Een holte. Hout. Natuurbouw. Zelf doen. Zelf dragen.

Maar dan gingen de eerste bijen naar binnen. Ze zagen. Ze keurden goed.

En langzaam begon de rest te volgen — een trage, rustige rivier van vleugels.

Onderweg zag ik de koningin. Gemerkt. Dus niet van een natuurimker. Maar dat maakte niet uit.

Ze was mooi. Ze was sterk. En ze had haar volk bij zich.

Ik denk ook dat er  maar weinig natuurimkers bestaan.

De avond valt — en een stam begint te ademen

Tegen de avond waren ze binnen. Van het doek af. In hun nieuwe thuis.

Ik haastte me naar huis, net voor de storm losbarstte. Alsof de dag nog één laatste adem uitblies.

En nu staat daar, in een veld van phacelia dat net begint te bloeien, een holte die ik zelf maakte.

Gevuld met leven.

Met gezoem.

Met warmte.

Een boomstam die ademt.

Een stam die nu een hartslag heeft.

Een huis dat gekozen werd.

Zullen ze blijven?

Dat weet alleen het volk.

Een zwerm kiest. Een zwerm beslist.

Maar ze gingen rustig naar binnen.

Ze hebben verkend.

Ze hebben goedgekeurd.

En dat is al zoveel.

Een dag om te bewaren

Vandaag was een dag van snelheid en zachtheid.

Van mensen die je energie geven en mensen die je energie kosten.

Van trouw blijven aan je eigen manier.

Van een volk dat onderweg was en nu misschien thuis is.

Een dag die ruikt naar honing, hout en regen.

Een dag die ik bewaar.

Een dag die ik deel.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.